Persoonlijk verhaal van prof. dr. G.C.G. (Trudy) Dehue, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen.

​Trudy-treuzel

Mijn moeder noemde me vroeger ‘trudy-treuzel’. Dat kwam doordat ik als klein kind al afwezig kon zijn bij de dingen die dagelijks moesten gebeuren. Die gingen gemakkelijk aan me voorbij, omdat ik met mijn gedachten elders was. Ik stond wel uitvoerig stil bij dingen die anderen onbelangrijk vonden. Terugkijkend lijkt het nogal onaardig van mijn moeder om me te bespotten met mijn dromerigheid. Misschien waren alle opvoeders gewoon harder in de jaren vijftig en zestig, omdat ze dachten dat dat het beste was. Op school was ik niet alleen maar dromerig, maar maakte ik daarnaast onverwachte opmerkingen die de leerkrachten niet op prijs stelden. Het valt echter te betwijfelen of er iets te leren viel van de vele strafregels die ze me daarvoor lieten schrijven.
 
Eigenlijk had ik veel eigenschappen van wat later een stoornis is gaan heten. Was ik in de jaren tachtig geboren in plaats van de jaren vijftig dan was ik waarschijnlijk al vroeg met ADHD gediagnosticeerd. Misschien was ik daar wel blij mee geweest doordat de diagnose, met de bijbehorende medicatie, me een aangepaster kind had gemaakt. Of stel dat ik in de jaren zeventig was geboren dan had ik waarschijnlijk ‘pas’ als volwassene ‘ontdekt’ dat ik ‘eigenlijk ADHD heb’ en dat deze stoornis terugkijkend de oorzaak van al mijn moeilijkheden was. Dit terwijl ADHD toch niets anders is dan het besluit om ongewenste eigenschappen met medische middelen te bestrijden. Het liep echter anders en daar ben ik heel blij om.
 
Eerst was er de periode van vallen en opstaan: weggestuurd van het gymnasium, veel botsingen op de mindere middelbare school waar ik naartoe moest, later een tijd lang werkloos, ook een man getrouwd die niet bij me paste en na jaren gescheiden. Hedendaagse ADHD-deskundigen zien altijd bewijsmateriaal voor hun stoornis in dit soort levensfeiten. Daarna kwam ik echter in een omgeving terecht waar men oog had voor wat ik kan en die hielp dat tot ontwikkeling te brengen. Dat was bij de opleiding psychologie in Groningen, waar ik op mijn 27ste aan begon. Mijn grote geluk was dat ik daar alternatieve tentamens mocht doen: regelmatig mocht ik een artikel schrijven in plaats van een multiple-choice te maken. Dat kon toen doordat er minder studenten waren, maar het was desondanks bijzonder. Zo ontdekte ik dat ik kon denken en schrijven. Geweldig was ook dat ik gedegen inhoudelijk commentaar kreeg, wat me werkelijk verder heeft geholpen. Het was toen bovendien geen probleem om met docenten in discussie te gaan; ze stelden het juist op prijs. Ik kreeg een promotieplek en het proefschrift van 1990 werd mijn eerste gepubliceerde boek. Daarna ging het vlot, want vanaf 1995 ben ik hoogleraar en schreef ik reeksen artikelen en nog twee boeken die veel worden gelezen en gewaardeerd.
 
De trudy-treuzel trekjes zijn er intussen nooit afgegaan, ook al heb ik het zeker geprobeerd omdat ik er werkelijk last van kan hebben. Nog altijd sta ik bij onderwerpen stil waar anderen aan voorbijgaan, raak ik spullen kwijt, noteer ik de nummers van collegezalen en telefoons verkeerd en vergeet ik te doen wat er hier en nu moet gebeuren. Ook heb ik begeleiding nodig bij het halen van de trein en het nakomen van afspraken, omdat ik op het tijdstip van vertrek, plotseling de tijd volledig kan vergeten. Maar het geeft niet echt. Mijn huidige echtgenoot en onze secretaresses weten dat ik bij dat soort dingen hulp nodig heb, zoals een ander mens hulp nodig heeft vanwege slechte ogen of oren. Je hoeft ook niet alles te kunnen, lijkt mij. Er zijn mensen die geen behoorlijke zin op kunnen schrijven. Nou, die maken dan wel weer mooie foto’s of fantastische gerechten en anders kunnen ze wel zingen. Stel dat het normaal zou zijn om af te wijken, dan hoeft ook niemand heel bijzonder te zijn, alleen maar omdat hij afwijkend is.