Remco en Monique Hofman | Sliertjes in zijn hoofd

Monique en Remco Hofman schrijven over hun 12 jarige zoon Tygo en hun ervaring met de oudercursus van Druk en Dwars
 
Door de sluiting van onze zoon z’n oude school zijn de problemen begonnen.

Hij was vaak boos, voelde zich onbegrepen, opstandig, huilen, erg emotioneel en zoals hij zelf zei: sliertjes in zijn hoofd. Zijn hoofd was te vol en hij had het gevoel dat er dan bliksem ontstond waardoor er een soort elektriciteit ontplooide. Hierdoor ontstond er een kortsluiting.

We zijn toen naar de huisarts geweest en die heeft ons naar Interpsy doorverwezen. Daar hebben we vele gesprekken en onderzoeken gehad naar de mogelijke oorzaak van het gedrag van onze zoon. Uiteindelijk kwam er ADHD /ASS  uit, onze zoon heeft de drukte voornamelijk in z’n hoofd zitten en aan de buiten kant zie je zo niets.

Onze begeleider die het onderzoek deed had ons aangemeld voor de cursus ‘Druk en Dwars’. We waren enthousiast en opgelucht maar ook nerveus. Dit kwam ook omdat ik op dat moment een burn-out had. Dit is ontstaan doordat ik de diagnose van onze zoon niet goed kon accepteren en we niet wisten wat voor traject hij door moest gaan. (Dit weet ik helaas maar al te goed omdat dit bij mij ook is gebeurd in mijn jeugd).

De cursus was soms heftig en ook emotioneel. Ik en Tygo zijn twee dezelfde personen die dan niks van elkaar konden aannemen of accepteren, maar door de cursus kwam ik er achter hoe je dit kan benaderen in een conflict en hoe ik de rust kan behouden. Ook heb ik er veel aan gehad voor het handhaven van de rust bij mijn handbaljeugd team.

Uiteindelijk leer je anders om te gaan met je kind en je ziet dan veranderingen. Je ziet je kind veranderen, het heeft tijd nodig gehad maar wat zijn wij ontzettend blij dat wij mee hebben gedaan met deze cursus.

Er kwam weer rust in het gezin. Het wordt nu nog steeds toegepast, het zijn hele kleine dingen maar voor onze zoon van zo’n groot belang. Een jongen met een glimlach is terug die we kwijt waren en dat was heel pijnlijk, voor ons maar ook voor hemzelf en zijn broer en zusje.

Jolanda

 

J​olanda (twitter: @All4wan) over haar pleegzoon

​​​​Zijn hoofd zit vol… Hij heeft ADHD…

Sorry, dossierfout… Hij had niet in een gezin gemogen…

 
Komst
 
Hij was vijf en een half toen hij bij ons kwam… Een wantrouwend jongetje onder de dekens liggend op de bank, dat tijdelijk in crisisopvang was bij het logeerhuis voor verstandelijk beperkten en autistische kinderen… Hij had op teveel adressen gewoond in zijn eerste vier levensjaren en helaas teveel volwassenen als zijn verzorgers gezien om nu deze vreemde mensen te kunnen vertrouwen… Wat doe je op zo’n moment als nieuwbakken pleegouders zonder eigen kinderen? Je gevoel volgen? Het werd een potje voetbal in de omheinde en betegelde achtertuin… Dat maakte hem nieuwsgierig… Voldoende nieuwsgierig om naar buiten te komen en te laten zien wat hij kon… Een Afrikaans atletisch jongetje van één meter twintig lang… Langzaam wende hij aan zijn nieuwe gezin… Een uurtje werd een middag… Een middag een dag… Een dag een weekend… En elke keer vroeg hij zelf of hij wat langer mocht blijven en na dat weekend zijn woorden: ik kan hier best wel blijven wonen… En dat is nu al weer acht en een half jaar geleden…
 
De eerste weken
 
Na anderhalve week begon zijn gedrag drastisch te veranderen richting mij… Hij reageerde niet op mijn aanwijzingen… Was zeer autonoom in zijn gedrag en niet corrigeerbaar… Dit mondde uit in acting out gedrag… Driftig haalde hij alles uit de kast… Schreeuwen… Slaan… Krabben… Spugen… Letterlijk een wild beest​… Later begreep ik uit wantrouwen… En puur uit angst… Hij zou wel laten zien dat die volwassen mevrouw hem ook zou wegsturen… Dat is toch altijd gebeurd? Maar hij hoefde niet weg… Er werd gebeld met pleegzorg… Die weer overlegde met jeugdzorg… Conclusie? Dit is wel een erg onveilige situatie voor pleegkind en pleegmoeder en oh ja… Sorry, dossierfout… Hij had niet in een gezin gemogen… Te onveilig na alles wat hij al had meegemaakt… Inmiddels was een maand voorbij… We mochten hem teruggegeven aan jeugdzorg… Hebben we het hier over een te klein gekochte broek of over een kind? Na lang praten kregen we een tweede kans met hem…
 
Pleegouderbegeleiding
 
Ik vroeg om begeleiding, zodat ik zijn gedrag beter kon hanteren… Dit was echter niet aan ons, maar toch echt een taak van jeugdzorg, verzekerde pleegzorg ons met klem… Hij was nu een half jaar bij ons…. Een escalatie van zijn heftige gedrag vond plaats in een kledingwinkel tijdens het kopen van een jas voor hem… Hij schopte en krabde me… De verkoopster schoot te hulp en vroeg me wie ze kon bellen… Ondertussen zat hij onder een kledingrek en hield mij op een afstandje in de gaten… Zijn pleegvader werd gebeld en kon hem op de fiets meenemen, omdat het escalerende gedrag enkel bij mij tevoorschijn kwam… Met de zomervakantie voor de deur, waar hij veel met mij samen zou zijn, zochten we naar hulp, omdat jeugdzorg die hulp tot nu toe nog niet geregeld had… En zo kwamen we in Utrecht terecht, waar we de basis leerden van liefdevol vasthouden… Waar het kind letterlijk mocht voelen dat de volwassen begeleider het kind nooit in de steek zou laten en dat de volwassene te allen tijde sterker was… Daardoor ontstond ruimte voor vertrouwen en werd gewerkt aan vergroten van zijn basisveiligheid… Een aantal sessies met elkaar in een ruime speelkamer was voldoende geweest om de zomer veilig door te komen… En nog net op tijd, want met zijn zes jaar was hij al behoorlijk sterk… Later hebben we de Basic Trust methodiek gevolgd en de PCIT-methodiek…
 
School
 
Hij begon op een cluster drie school, want volgens de IQ test was hij zwak begaafd… Daar heeft hij een jaar gezeten en vervolgde zijn weg naar een observatie jaar voor kleuters… Vervolgens ging hij naar het Speciaal Basis Onderwijs, want een klein klasje bood toch wel veiligheid voor hem… De cluster drie indicatie werd vervangen door cluster vier, want de IQ test liet inmiddels wat anders zien… Maar dan was er wel een diagnose via een psychiater nodig. Een uurtje observatie leverde een kwart A-4tje op, waarin iets stond beschreven over onveilige hechting en vermoedelijk ADHD… Achteraf was het logisch dat de IQ test wat anders liet zien, want een kind dat bang is bij onbekende begeleiders , zal niet uit de verf komen tijdens een IQ test… Op school vroegen we naar individuele begeleiding via Remedial Teaching, te betalen uit het cluster vier (REC-4) budget… Hij was thuis immers ook goed één-op-één te begeleiden… De Intern Begeleidster gaf aan dat hij dan eerst medicatie moest krijgen, want het was toch duidelijk? Hij heeft ADHD! Want zijn hoofd zit vol… Dat ik als 24/7 ervaringsdeskundige aangaf dat zijn bodem lek is, waardoor schoolinformatie niet wordt opgenomen, werd niet gehoord… Vervolgens gaf de Intern Begeleidster aan dat hij op school al individuele begeleiding heeft gehad en dat hij toen zeer druk was… Hij zat toen in de klas met zijn gezicht tegen de muur, de ideale omstandigheden om een kind met hechtingsprobleem druk te krijgen…
 
Ritalin
 
Op een dag kwam hij thuis en vertelde hij dat zijn meester had gezegd dat hij binnenkort een pilletje krijgt waar hij rustig van wordt… Hij zat toen net in groep zes… Voor mij een reden om meteen een gesprek aan te vragen met meester… In dat gesprek werd duidelijk dat meester dacht dat hij een diagnose ADHD had en dat er binnenkort medicatie zou komen… Waarop ik aangaf dat er nog geen duidelijke diagnose lag, niet meer dan een stukje tekst om REC-4 budget veilig te stellen voor school, dat overigens niet werd ingezet voor hem vanwege het ontbreken van medicatie… Daarnaast hoort een kind niet als eerste via school te horen dat een pilletje hem binnenkort rustiger zou maken… Na overleg met de voogd en een tweede psychiater, is uiteindelijk een dubbel-blind medicatietrial gestart… De beste resultaten lagen in de week van de placebo… De week dat hij elf werd… Was het niet de houvast die meester aan hem gaf, omdat een pilletje rustiger zou maken? Precies twee maanden heeft hij op schooldagen 2 x 10 mg Ritalin geslikt… In vakanties, weekenden en woensdagmiddag slikte hij niets… Omdat het ook niet nodig was, want hij vertoonde normaal gedrag vanuit een veilige omgeving… Part-time ADHD, daar leek het op… Maar… Dat bestaat niet volgens DSM-IV… We hebben de medicatie afgebouwd zonder medeweten van school, jeugdzorg en kind… Enkel de psychiater was op de hoogte, die me verzekerde dat dit niet kon… De praktijk leverde het bewijs dat het wel kon… Zijn zelfvertrouwen kreeg zo’n enorme boost, dat hij na enkel maanden zelf vroeg om het stoppen met de medicatie, omdat andere kinderen in zijn klas met pillen drukker waren dan hij zelf… Hij zat toen nog maar op 2 x 2,5 mg Ritalin… Hij heeft even gereden met zijwieltjes en kan nu los fietsen… En zo heeft hij sinds groep zeven geen medicatie meer geslikt en leert hij van zijn juf of meester hoe hij zijn gedrag in de klas zelf kan reguleren… Inmiddels zit hij op het Voortgezet Onderwijs, VMBO sportafdeling… Weliswaar nog in een klein klasje vanwege zijn lage basisveiligheid… Stap voor stap bouwend aan vergroten van zijn zelfvertrouwen…
 
ADHD-diagnose
 
Dankzij een luisterende psychiater, kon ik aangeven dat via de multidisciplinaire richtlijn voor ADHD-diagnose bij kinderen, die een zestal criteria kent, de ADHD-diagnose niet de juiste is… De ADHD-gedragskenmerken (eerste criterium) waren duidelijk aanwezig, echter alleen op door het kind ervaren onveilige plekken… Part-time ADHD bestaat niet… Wel trauma en hechtingsproblematiek… En dat vraagt een behandeling op maat… Voor een kind dat gezien mag worden… Zonder ADHD… Zonder REC-4 budget… En met warmte… Met veiligheid… En met geborgenheid… Is dat niet het recept voor elk kind?

Trudy Dehue | Trudy-treuzel

 Persoonlijk verhaal van prof. dr. G.C.G. (Trudy) Dehue, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen.

​Trudy-treuzel

Mijn moeder noemde me vroeger ‘trudy-treuzel’. Dat kwam doordat ik als klein kind al afwezig kon zijn bij de dingen die dagelijks moesten gebeuren. Die gingen gemakkelijk aan me voorbij, omdat ik met mijn gedachten elders was. Ik stond wel uitvoerig stil bij dingen die anderen onbelangrijk vonden. Terugkijkend lijkt het nogal onaardig van mijn moeder om me te bespotten met mijn dromerigheid. Misschien waren alle opvoeders gewoon harder in de jaren vijftig en zestig, omdat ze dachten dat dat het beste was. Op school was ik niet alleen maar dromerig, maar maakte ik daarnaast onverwachte opmerkingen die de leerkrachten niet op prijs stelden. Het valt echter te betwijfelen of er iets te leren viel van de vele strafregels die ze me daarvoor lieten schrijven.
 
Eigenlijk had ik veel eigenschappen van wat later een stoornis is gaan heten. Was ik in de jaren tachtig geboren in plaats van de jaren vijftig dan was ik waarschijnlijk al vroeg met ADHD gediagnosticeerd. Misschien was ik daar wel blij mee geweest doordat de diagnose, met de bijbehorende medicatie, me een aangepaster kind had gemaakt. Of stel dat ik in de jaren zeventig was geboren dan had ik waarschijnlijk ‘pas’ als volwassene ‘ontdekt’ dat ik ‘eigenlijk ADHD heb’ en dat deze stoornis terugkijkend de oorzaak van al mijn moeilijkheden was. Dit terwijl ADHD toch niets anders is dan het besluit om ongewenste eigenschappen met medische middelen te bestrijden. Het liep echter anders en daar ben ik heel blij om.
 
Eerst was er de periode van vallen en opstaan: weggestuurd van het gymnasium, veel botsingen op de mindere middelbare school waar ik naartoe moest, later een tijd lang werkloos, ook een man getrouwd die niet bij me paste en na jaren gescheiden. Hedendaagse ADHD-deskundigen zien altijd bewijsmateriaal voor hun stoornis in dit soort levensfeiten. Daarna kwam ik echter in een omgeving terecht waar men oog had voor wat ik kan en die hielp dat tot ontwikkeling te brengen. Dat was bij de opleiding psychologie in Groningen, waar ik op mijn 27ste aan begon. Mijn grote geluk was dat ik daar alternatieve tentamens mocht doen: regelmatig mocht ik een artikel schrijven in plaats van een multiple-choice te maken. Dat kon toen doordat er minder studenten waren, maar het was desondanks bijzonder. Zo ontdekte ik dat ik kon denken en schrijven. Geweldig was ook dat ik gedegen inhoudelijk commentaar kreeg, wat me werkelijk verder heeft geholpen. Het was toen bovendien geen probleem om met docenten in discussie te gaan; ze stelden het juist op prijs. Ik kreeg een promotieplek en het proefschrift van 1990 werd mijn eerste gepubliceerde boek. Daarna ging het vlot, want vanaf 1995 ben ik hoogleraar en schreef ik reeksen artikelen en nog twee boeken die veel worden gelezen en gewaardeerd.
 
De trudy-treuzel trekjes zijn er intussen nooit afgegaan, ook al heb ik het zeker geprobeerd omdat ik er werkelijk last van kan hebben. Nog altijd sta ik bij onderwerpen stil waar anderen aan voorbijgaan, raak ik spullen kwijt, noteer ik de nummers van collegezalen en telefoons verkeerd en vergeet ik te doen wat er hier en nu moet gebeuren. Ook heb ik begeleiding nodig bij het halen van de trein en het nakomen van afspraken, omdat ik op het tijdstip van vertrek, plotseling de tijd volledig kan vergeten. Maar het geeft niet echt. Mijn huidige echtgenoot en onze secretaresses weten dat ik bij dat soort dingen hulp nodig heb, zoals een ander mens hulp nodig heeft vanwege slechte ogen of oren. Je hoeft ook niet alles te kunnen, lijkt mij. Er zijn mensen die geen behoorlijke zin op kunnen schrijven. Nou, die maken dan wel weer mooie foto’s of fantastische gerechten en anders kunnen ze wel zingen. Stel dat het normaal zou zijn om af te wijken, dan hoeft ook niemand heel bijzonder te zijn, alleen maar omdat hij afwijkend is.

Marcel Canoy

 Marcel Canoy schrijft op dit moment een middelbare schoolboek over economie met econoom Lans Bovenberg, is columnist van het Financiëele Dagblad (elke maandag) en is lid van de adviescommissie Pakket van Zorginstituut Nederland. Daarvoor was hij onder meer hoofdeconoom van Ecorys, hoogleraar zorgeconomie, adviseur in de denktank van Europese Commissie voorzitter Barroso en werkte hij bij het Centraal Planbureau.

Ik ken mezelf pas goed door de spiegel van mijn zoon, die nu 14 is en qua karakter opvallende ​gelijkenissen met zijn vader vertoont. Strikt gezien heeft hij diagnose adhd, maar dat betekent weinig, geen medicijnen, gewoon fluitend op gymnasium en met een beetje sturing tamelijk probleemloos. Een positieve bijwerking (maar toegegeven niet altijd) is dat de Canoytjes altijd eerst zelf bedenken wat ze van iets vinden voor dat ze zich bekommeren om wat anderen ervan vinden. Dat levert wel eens vermoeiende taferelen op, maar denk even aan de plus. Zonder ‘idioten’ als nep-aspergers en pseudo-adhd-ers liepen we nu nog in berenvellen rond. Iedereen doet ‘go with the flow’ en de rivier eindigt weer – oh wonder oh toeval – in de zee. Hoera. En als je er ook nog in slaagt op een zeker moment te snappen dat er situaties zijn waarin het wel slim is even een pas op de plaats te doen en te kijken wat anderen vinden, dan is het helemaal mooi. Dat noemen ze wel volwassen worden. Bij mij heeft het een jaar of vijftig geduurd (hoewel mijn vrouw er nog niet helemaal uit is of het proces is voltooid).

Een ander vreemd bijverschijnsel is snelheid. Ze zeggen van ons wel eens dat we snel afgeleid zijn. Is ook zo. Maar niet altijd. Als ik focus doe ik dingen minimaal twee tot drie keer zo snel dan anderen, met behoud van kwaliteit. Tegenover het ‘gezeur’ over afgeleid zijn, staan evenveel bewonderingen over ‘frappante snelheid’. Zo ben ik professioneel columnist. Als ik in vorm ben en me een beetje kwaad maak kan ik in een uurtje een volwaardige column schrijven waar de meesten minimaal een halve dag nodig hebben. Ik schrijf minstens één keer per week een column. Waar haal je de inspiratie vandaan elke week weer? Dat is de meest gestelde vraag. Domme vraag. Hoezo inspiratie? Ik moet altijd schrappen omdat ik teveel onderwerpen heb. Elk nadeel hep zu voordeel.

Bill Baboon

Persoonlijk verhaal van Willem Venema (45 jaar) alias Bill Baboon. Hij heeft een muziekschool in zijn woonkamer in Zuidhorn, waar hij gitaar-, drum- en basles geeft aan kinderen. Toen hij merkte dat een aantal leerlingen de individuele lessen na een paar seizoenen opgaf, terwijl er wel degelijk gevoel voor muziek in zat, richtte hij de BILL BABOON WISSELBAND op. Deze uitdaging motiveert zijn leerlingen om al in een vroeg stadium samen te spelen. De kinderrockband met wisselende formaties is inmiddels wereldberoemd in Zuidhorn en omstreken, door de maandelijkse optredens van de band in het knusse café van Hotel in ’t Holt in Zuidhorn.  Op 27 maart 2015 wordt daar de 50e editie van de zogenoemde “KoopavondBlues” groots gevierd.

​​​Dromer
Toen ik 7 was, wilde ik een weeshuis, een plek waar je jezelf mag zijn en waar iedereen gezien wordt. Een kind wil speciaal zijn,  ik heb me niet vaak speciaal gevoeld, of misschien durfde ik dat wel niet meer, want als je blij was, ging er altijd wel iets mis en sloeg de stemming om. Wat ik nog wel weet, is hoe dankbaar ik was als iemand die me zag staan even tijd voor me maakte. En ik werd blij van mijn oma die rust uitstraalde. Ik geloof dat ik tot aan de kleuterschool wel een gelukkige jeugd had, maar mijn oma overleed toen ik bijna 5 was. Er werd niet over gepraat.  Er werd gekozen voor het model: Buigen, bij elkaar blijven en alles onder het tapijt vegen. Het gezin was voor mij geen fijne, veilige thuisbasis. Ik denk dat wanneer ouders hun kinderen niet goed kunnen begrijpen er een basis  voor concentratiemoeilijkheden en negatief gedrag wordt gelegd.
 
Op school ging het wel goed, ik was niet de slechtste of de beste, soms vergat ik wel eens wat, maar als iets een keer herhaald werd, wist ik het meestal wel. Het interesseerde me niet echt om sommetjes te maken. Ik las wel zowat alle boeken uit de bibliotheek van de school onder lestijd en ook thuis las ik veel. Lezen was een mooie vlucht, maar praktisch word je er niet van.
 
Dwars
Op de middelbare school, die ik niet zelf uitkoos, bleef ik na een gemakkelijk begin zitten omdat ik spijbelde, me niet kon of wilde focussen en omdat ik nooit meedeed met gym.  Die leraar was een autoritaire man en ik vond er niks aan, hij gaf me een 5. Mijn ouders protesteerden niet en vanaf dat moment kwam ik in een negatieve spiraal van drinken en spijbelen. Ik had geen doel. Ik ging op kamers en haalde via een aantal omwegen een diploma toen ik een jaar of 20 was. Daarna wilde ik muzikant worden, omdat dat het enige was wat me echt raakte. Na 7 jaar verhuisde ik naar het platteland, nadat ik het niet voor elkaar kreeg om met muziek iets te bereiken.
 
Ik kwam terecht op een oude boerderij en kon een paar jaar ongestoord oefenen met verschillende muziekinstrumenten. Bij de lokale kroeg kwam ik aan de praat met het zoontje van de baas en er ontstond een leuk gesprek.  en er ontstond een leuk gesprek. De moeder vond dat heel speciaal, want het jongetje was gewoonlijk meer gesloten. Ze vroeg of ik haar zoontje les wilde geven op gitaar. Zo ontdekte ik mijn talent voor lesgeven. Er kwamen steeds meer leerlingen bij, en momenteel heb ik er 40 en kan ik met lesgeven in mijn onderhoud voorzien.
 
Druk
Ik vind het belangrijk om mijn leerlingen geen druk op te leggen. Muziek maken is geen competitieve prestatie, maar een leuke, nuttige bezigheid. Soms hebben ouders hoge verwachtingen, en hopen ze dat hun kind snel vorderingen maakt met de muzieklessen. Hoewel ik dat enthousiasme enerzijds begrijp, is mijn insteek vooral dat kinderen zich prettig voelen en plezier beleven aan het samen muziek maken met andere leerlingen.
 
Wanneer de leerlingen aangeven dat ze er aan toe zijn, treden ze op met de Wisselband, en vaak zie je dan ter plekke hun zelfvertrouwen groeien. Een aantal van mijn leerlingen heeft, net als ik vroeger, moeite zich aan te passen aan het schoolsysteem. Door hen en hun muzikale talenten te zien en te stimuleren, hoop ik er aan bij te dragen dat deze kinderen hun plekje vinden in deze maatschappij.

Liesbeth Hermans

Persoonlijk verhaal van Liesbeth Hermans, 30 jaar leerkracht geweest in het basisonderwijs en auteur van: Lieve Inspecteur: Observaties in het basisonderwijs  en S. De Maalstroom: Het hoofd boven water in het basisonderwijs. (Pietje Bell is één van de columns uit deze bundel, die is te bestellen via liesbeth.hermans@ziggo.nl )

​​Pietje Bell

Op de laatste middag voor de vakantie is het in de klas altijd heel gezellig. U kent dat wel: lokaal opruimen, kastjes ordenen, filmpje kijken. Interessant om de kinderen dan te observeren.
 
Benjamin gaat op in de film, maar ondertussen beweegt zijn hele lijf. Al kijkende balanceert hij op de achterpoten van zijn stoel. Ja, het lukt, als hij tenminste met beide voeten steun zoekt in zijn kastje. Ik frons mijn wenkbrauwen en gauw zit hij weer horizontaal. Een minuut later kruipt er zomaar ineens een potlood in zijn hand. Dat gooit hij voorzichtig in de lucht, steeds een beetje hoger. Het leidt al snel zijn buurman af, die geeft Benjamin een por.
 
Even rust weer …
 
Dan moet zijn kladschrift het ontgelden, met de vulpen prikt hij er gaatjes in. Eén vingerknip en zijn aandacht is weer bij de film. Voor zo lang als het duurt… Moeilijk hoor, dat iedereen zo stil is!
 
Hé, zo’n kladschrift een héél klein beetje laten vliegen,…óók leuk! Het wordt nu tijd dat ik echt optreed. Op kousenvoeten sluip ik naar hem toe en sis met gedempte stem: “Hou eens op, jij!”.
 
Maar zie, even later gaat ineens zijn stoel weer wippen. Zo maar vanzelf, eerst op twee poten, dan op één. Benjamin lijkt zich nergens van bewust. Boem, daar valt die domme stoel. En hij ligt ernaast… Verstoord kijken alle kinderen op. Spannend, dit laat juf vast niet over haar kant gaan! Ik volsta met een grimmige blik, voldoende om de duikelaar weer op zijn plek te krijgen. Allemaal weer gauw verder kijken naar de film!
 
Moet je boos worden op zo’n kereltje? Zou dat helpen? Of een test op ADHD, schieten we dáár misschien iets mee op? Wat een energie zit er in dat lijf! Gelukkig begrijpen zijn ouders dat. Drie keer in de week gaat hij naar de voetbalclub en op judo zit hij óók.
 
Op de fiets naar huis speelt Benjamin nog steeds door mijn hoofd. In gesloten lessituaties functioneert hij prima, dan presteert hij bij de top vijf van de klas. Maar er zijn ook genoeg open lessen, dan hoort hij ineens bij de zwaksten. Stelopdrachten, verhaaltjessommen, verslagjes schrijven, expressie… Met opdrachten waar hij zichzelf bij moet aansturen, is hij hopeloos. Hij gedijt bij gestructureerde taken met duidelijke voorbeelden, bij werk waarvan hij de concrete resultaten zelf kan “scoren”.
 
Maak ik me zorgen over deze leerling? Nee, niet echt, hij komt er wel. Als zijn ouders en zijn leerkrachten maar vertrouwen in hem houden en hem voldoende leiding geven. Ik hoop dat Benjamin van “deskundige onderzoekers” verschoond blijft, anders gaat hij nog denken dat er iets aan hem mankeert. Laat die jongen alsjeblieft een Pietje Bell blijven!